Geschiedenis

Iets over de geschiedenis van Mill en Sint Hubert
Bron: H. Douma 1967
Over het verklaren van de naam Mill zijn reeds vele gissingen gedaan. Zo kan Mill worden afgeleid van het Latijnse molendinum, wat molen betekent. Misschien ook hangt de plaatsnaam samen met het woord mijl en zou dan duiden op een grensgebied. Zekerheid kunnen de geleerden niet geven. Niets is immers moeilijker, dan de uitleg van aardrijkskundige namen. Hun oorsprong verdwijnt veelal in een oernevel. Als de namen in de bronnen opduiken, zijn ze dikwijls al eeuwen oud. Voor zover mij bekend, komt de plaatsnaam Mill voor het eerst voor in het jaar 1166 en wordt dan gespeld als Millen. Van de oudste tijden weten we van Mill bitter weinig. Reeds in het Neolithicum of Jonge Steentijdperk, dus zo ongeveer om 800-400 voor Christus, waren deze streken bewoond. Onlangs heeft men in Haps nogal wat sporen van deze primitieve landbouwbevolking gevonden. De bodem te Mill leverde in de loop der jaren enige stenen bijlen, een doorboorde hak en wat stenen pijlpunten op.
In de Romeinse tijd bevond zich gedurende een paar eeuwen te Cuijk een voor deze noordelijke streken niet onbelangrijke legerplaats. Het ligt voor de hand, dat soms Romeinen bij een jachtpartij op het latere Millse territorium vertoefden. Te St. Hubert moet een Romeinse wapenuitrusting zijn gevonden. Het gegeven is echter oncontroleerbaar. Vermoedelijk hebben enkele bewoners ook voorwerpen van de Romeinen gekregen of hebben enige oud-legioensoldaten zich hier gevestigd. In de Millse bodem is althans wat Romeins aardewerk aangetroffen. Vervolgens tasten we voor eeuwen in een diepe duisternis.
Tot de 12e eeuw was dit gebied wel niet onbewoond, maar erg aanlokkelijk was het niet. Aan de ene kant lag immers de onafzienbare woeste peel en aan de andere zijde strekten zich moerassige grasvelden en elzenbossen uit. Daar de Millse parochiekerk de Heilige Willibrord als patroon voert, ligt het voor de hand, dat er een sterke band met deze heilige is geweest. Of Willibrord hier zelf vertoefd heeft blijft overigens zeer de vraag. Wel had het klooster Echternach in Luxemburg, waar de grote heilige begraven ligt, in later eeuwen uitgestrekte bezittingen in Brabant, en nu kan het zijn, dat op deze manier de naam van Willibrord verbonden is aan Mill.

Sinds de verheffing van het roemruchte geslacht van de graven en later heren van Cuijk maakte Mill deel uit van het Cuijkse land. Deze heren hadden in de 12e en 13e eeuw sterke relaties met het Hollandse gravenhuis. Natuurlijk was de band niet altijd even vredelievend. Toen Herman van Cuyk in 1132 Floris de Zwarte, een broer van de Hollandse graaf, had vermoord, verwoestte deze uit wraak het hele Cuijkse territorium. Waarschijnlijk is deze streek kort daarop mede gekoloniseerd en ontgonnen door Hollanders. In die tijd stonden deze bekend als pioniers bij het in cultuur brengen van moerasgronden. Nog heden ten dage spreekt men van het Hollanderbroek, gelegen tussen Mill, Beers en Gassel. Typerend is ook, dat men in deze streken al in de Middeleeuwen rekent met de Hollandse morgen als oppervlaktemaat.Naar aanleiding van bovengenoemde moord schonk graaf Herman van Cuyk als zoenoffer vele bezittingen aan het witherenklooster Marienweerd te Beesd aan de Linge. Later volgden velen dit edelmoedige voorbeeld en ook de abdij zelf deed menige aankoop. Zodoende bezat in later tijd deze Praemonstratenser abdij uitgestrekte goederen en vele renten te Mill (Escharen en Hall). Vermoedelijk hebben ook deze monniken een rol gespeeld bij de cultivering van moerasgronden. Thans rest ons niets meer van de eenmaal zo machtige abdij. Wel bezitten we nog een cartularium. een boek waarin allerlei oude stukken zijn afgeschreven. Hierin vinden we enkele belangrijke gegevens over de oudste parochiegeschiedenis van Mill. Wanneer er te Mill een kapel is gesticht is onbekend, laten we het houden op de 12e eeuw. In de 13e eeuw schijnt er al sprake te zijn van het vergroen van een kapel, gewijd aan Sint Willibrord. Aanvankelijk behoorde deze kapel als succursale of hulpkerk tot de parochie van Boxmeer, dat toen nog kortweg Meer werd genoemd. Jan de Boc, heer van Meer, bezat het recht de Millse pastoor te benoemen. In 1323 deed hij hiervan afstand ten behoeve van de abt van Mariënweerd. Tot aan het begin van de tachtigjarige oorlog bleven voornoemde abten in het bezit van dit collatierecht.
1326 is een belangrijk jaar voor Mill. Toen verhief Adolf van der Mark, bisschop van Luik, de kapel, die reeds het recht tot dopen bezat, tot parochie. kerk. Sindsdien kan men Mill beschouwen als een onafhankelijke dorpsgemeenschap. De kapellen van St. Hubert en Wanroij vielen op hun beurt onder de Millse parochiekerk.

Over het Middeleeuwse kerkelijke leven te Mill zou nog wel veel meer te vertellen zijn. De parochiekerk was niet slecht bedeeld met aardse goederen. Ze bezat de helft van de Marienweerdse korentienden onder Mill en Wanroij. De pastoor van Mill genoot hieruit jaarlijks 62 malder rogge. De vicaris, een functie die nu alleen nog maar in Sint Tunnes wordt waargenomen, moest het met 8 malder doen. Daarnaast stonden nog enkele andere inkomsten, meest renten uit goederen. Een machtige factor in het Middeleeuwse dorpsleven vormde de Mariénweerdse abdij, die vele hoeven bezat, onder meer op de Vorle.
Laten we nu het kerkelijk terrein verlaten en ons wenden tot wereldlijke aangelegenheden. Heer Jan van Cuijk de grote begunstiger van Grave, stichtte aldaar op het einde van de 13e eeuw het nu nog bestaande Sint Catharinagasthuis. In de loop der eeuwen verwierf deze instelling talrijke onlichamelijke zaken of rechten in de naaste omgeving, ook te Mill. Sedert het midden van de 14de eeuw treffen we in het gasthuisarchief herhaaldelijk oorkonden aan van schepenen van Mill met het fraaie zegel van Sint Willibrord. Te Mill was immers één van de vier nedergerechten van het Land van Cuijk gevestigd. Voor zware vergrijpen, z.g. halsmisdrijven, moest men naar Grave, en voor gewichtige civiele zaken naar de hoofdbank te Cuijk. Voor kleinere zaken, vallende onder de z.g. volontaire jurisdictie of vrijwillige rechtspraak, kon men in Milt zelf terecht. We hollen nu wat vooruit, want in de 14e eeuw stond deze ontwikkeling nog aan het begin. Maar sinds de 16e eeuw tekent de situatie zich scherper af. Het Millse vedergerecht omvatte tevens de dorpen St. Hubert en Wanroij en het gehucht Hulsbeek. De taak van de vroegere schepenbank omvatte zowel zaken voor de huidige kantonrechter als voor de tegenwoordige notaris. Ook overdrachten van grond moesten voor schepenen passeren. Tot aan de Franse tijd had ieder dorp in het Land van Cuijk daarnaast nog een eigen dorpsbestuur, bestaande uit regenten. Zij behartigden de administratieve zaken. De schatbeurder, een voorloper van de huidige gemeenteontvanger, was hiervan de voornaamste.

Ook het jaar 1308 was voor de ingezetenen van Mill van ver strekkende betekenis. Toen namelijk schonk de heer Jan van Cuyk zijn bezittingen in het Nederambt van het Land van Cuijk aan de ingezetenen, onder meer aan die van Mill. Iedere bewoner was voortaan gerechtigd een bepaald aantal stuks vee op de gemene weide te laten grazen. De gewone man werd aldus voor de grootste armoede behoed en het grootgrondbezit in de kiem gesmoord. Op de lange duur echter kwamen ook de nadelen van dit stelsel aan het licht. Wie verbeterde immers de gemeenschappelijke broekgronden? Toch heeft de verdeling van deze weidegronden geduurd tot de jaren dertig van de 19de eeuw. Toen werd aan iedere gemeente van het Nederambt van het Land van Cuijk een bepaald gedeelte toegewezen. Voorheen waren ook de grenzen van de dorpen onderling niet afgebakend. Uit het gemeenschappelijke bezit van gronden is het te verklaren, dat menige gemeente nu nog rijkelijk gezegend is met aardse goederen, soms met vette weidegronden, die aan de Maas liggen.
De meeste goederen zijn intussen reeds lang in particuliere handen overgegaan. Voor de uitgestrekte peel gold hetzelfde als voor de broekgronden. De belangstelling ervoor was natuurlijk veel geringer hoewel de peel onder Mill nog niet de slechtste was, getuige de naam gras- of groespeel. Iedere ingezetene mocht turf en plaggen steken voor eigen gebruik. Ook de dorpen van het Nederambt, die niet in het bezit waren van peelgrond, kregen stukken toegewezen. Zo hadden die van Katwijk een afgebakend stuk peelgrond onder Mill, nog steeds spreekt men immers van de Katwijkse peel. De heren van Cuijk, te weten de prinsen van Oranje, hadden tevens een stuk peelgrond, namelijk de Princepeel. Ook de ambtman of bestuurder uit naam van voornoemde prinsen had zijn deel in de Ammanspeel.

Nu we het toch over de peel hebben, gaan we er nog even mee door. Honderden jaren lang vormde dit moerassige gebied een onoverkomelijke barrière, zelfs een dialectgrens. Ook toen zo omstreeks 1840 de peel verdeeld werd, veranderde er weinig. Men stak er wat turf, zette bijenkorven uit en haalde heidestrooisel voor de koeienstal. Daar de goede turf midden in de peel zat en de grens zeer slecht door palen en greppels was afgebakend, bleven conflicten met bewoners van het Ravensteinse Land niet uit. Vooral die van Uden en Volkel waren berucht om hun turfdieverijen. Maar de Millenaars zullen ook wel geen lieve jongens zijn geweest. Voor de rest lag het land er tot de eeuwwisseling woest en ledig. Er werd zelfs enig ijzer gedolven. De Princepeel vormde voor een eeuw terug de eerste stoot tot ontginning. Door kunstmest en mechanisatie wist men de peel terug te dringen. Vooral in de crisisjaren rond 1935 werd de zaak krachtig aangepakt. Nu is de heide nagenoeg verdwenen. Achteraf had er misschien een groot stuk gespaard kunnen blijven voor recreatie. Veel slechte grond is ook omgezet in bos. Nu is de peel geen troosteloze vlakte meer, maar een afwisselend land van weiden, akkers en bos.
Gedurende de Middeleeuwen veranderde er in een dorp bitter weinig. De tachtigjarige oorlog trok als een schaduw voorbij. Grave koos de zijde van de prins, liep vervolgens over naar Parma en werd op zijn beurt door Maurits ingenomen in 1602. De stad was een zeer belangrijke vesting, ze vormde de sleutel tussen Brabant en Gelre. De omwonenden konden er van mee profiteren. Spitten voor het aanleggen van verdedigingswerken was meestal aan de orde. En dan was er geen ontkomen aan. De dorpsbewoners werden opgetrommeld om de stad te versterken of de belegeraars te helpen. Vooral het beleg van 1674, toen Grave uitnemend verdedigd werd door de Franse generaal Chamilly, vergde veel mankracht. Daarbij kwam nog dikwijls het vervoer van Spaanse of vreemde, meestal Franse troepen. De landman moest meestal zorgen voor paarden, wagens, hooi en stro en de betaling bleef dikwijls uit. Rooskleurig was voor de boer de goede oude tijd zeker niet.
Sinds 1602 behoorde Grave en dus ook het Land van Cuijk tot het grondgebied van de Republiek der Verenigde Nederlanden. Lang bleef de toestand voor het Land van Cuijk zwevend, nu eens hieven de Staatsen er belasting, dan weer de Spanjaarden. Tenslotte wisten de Staatsen het pleit te winnen en bij de vrede van Munster in 1648 kwam het Land van Cuijk definitief bij de Republiek. Brabant was echter een wingewest, een generaliteitsland, waar de Hollanders alleen maar haalden en niets brachten. Het Land van Cuijk viel eveneens onder de wetten van de Generaliteitslanden, hoewel de toepassing nogal soepel was. Deze gebieden behoorden namelijk als persoonlijk bezit aan de prinsen van Oranje. Zij lieten het bestuur over aan een ambtman, die te Grave zetelde. Telgen van het geslacht De Quay vervulden enige malen deze functie.

De politieke ommezwaai van 1648 bracht nogal wat verandering op kerkelijk terrein teweeg.
Voortaan deelden de Protestanten de lakens uit. De Millse parochiekerk werd aan hen toegewezen, hoewel er nagenoeg geen gelovigen waren. Tot 1780 had Mill een eigen predikant. Als toehoorders had deze meestal alleen de leden van zijn gezin en die van de koster-schoolmeester. De bevolking bleef praktisch geheel Katholiek. Aanvankelijk leverde dit ernstige moeilijkheden op. Gelukkig stelde de bewoner van het kasteel Aldendriel zijn kapel beschikbaar voor de Millse Katholieken. Tenslotte bouwde men in 1745 zelf een schuurkerkje, tevens dienende voor de inwoners van St. Hubert. Onderwijl was de oude parochiekerk wegens bouwvalligheid in elkaar gezakt. Bij de komst der Fransen kregen de Katholieken hun kerk als puinhoop terug. Vandaar dat de schuurkerk gebruikt werd tot 1825. In 1823 was men begonnen een nieuwe kerk te bouwen bij het oude kerkhof. Deze werd op zijn beurt afgebroken en in 1877 vervangen door het huidige stoere bouwwerk aan de Kerkstraat.
Er zou nog meer te vertellen zijn over de geschiedenis van Mill. Zo bevindt zich ten westen van het dorp een 15e eeuwse ruine van een kapel en de historie van het kasteel Aldendriel aan de rand van het broek is eveneens niet van belang ontbloot. Veel moet echter nog worden onderzocht. Later, als de archieven zijn uitgeplozen en ook elders de nodige onderzoekingen zijn verricht, kan allicht een beter historisch overzicht worden samengesteld. We laten het dus bij deze proeve.

Mill, november 1967
H. Douma
Chartermeester bij het streekarchivariaat Land van Cuijk